Historiek van de grindwinning in Limburg

0015_71.JPG

Vlak na de tweede wereldoorlog is de grindontginningssector in Belgisch Limburg geleidelijk tot ontwikkeling gekomen. Aanvankelijk betrof het verdieping en uitbaggering van de Maas en vervolgens werden ook de aangrenzende uiterwaarden ontgonnen; eerst in Nederlands-Limburg en aansluitend ook aan Belgische zijde. Met de loop der jaren bracht een en ander mee dat voor bijkomende ontginningsterreinen vooral gezocht werd naar locaties die via de waterwegen toegankelijk waren voor baggerboten en schepen of voor wat de zogenaamde vaste walexploitaties betreft in de nabijheid van bestaande installaties.

Algrigeowand2.jpg

In tegenstelling tot Nederland was er in België tot de jaren zeventig nauwelijks sprake van ruimtelijke planning. Pas in 1962 werd de wet op de stedenbouw en ruimtelijke ordening van kracht waarbij werd voorzien dat gewestplannen zouden worden opgemaakt, die de bestemming en het ruimtegebruik van elk grondperceel invoerden en onder meer ook zouden voorzien in gebieden waar ontginning van natuurlijke rijkdommen kon plaats hebben. Als eerste aanzet werden richtplannen voor de ruimtelijke ordening opgesteld en later volgden ontwerpgewestplannen, die na openbaar onderzoek met inspraak van lokale besturen en de bevolking moesten resulteren in definitieve gewestplannen.
In de aanloop tot de opmaak van het definitief gewestplan Limburg Maasland, dat alle gemeenten omvat waar in Vlaanderen grind aanwezig is in de bodem, vroeg de toenmalige staatssecretaris voor streekeconomie de heer M. Eyskens in 1979 aan de GOM-Limburg een werkgroep op te richten om specifiek de problematiek van de grindwinning te analyseren en concrete voorstellen uit te werken voor de aanduiding van grindgebieden, waar op langere termijn de exploitatie zou kunnen worden verder gezet.

Via deze werkgroep waarin vertegenwoordigers van de overheid, administraties en ook de diverse grindbedrijven waren betrokken, werd per bedrijf en locatie een inventaris opgesteld van de in het ontwerpgewestplan voorziene terreinen, de reeds ontgonnen en nog ontginbare oppervlakte, de productie van elk bedrijf, de exploitatievooruitzichten op de betreffende locatie en de toekomstige terreinbehoefte. Tegelijkertijd werd in opdracht van de intercommunale IML een geologische studie uitgevoerd naar de grindafzettingen, dikte van de grind- en afdeklagen. Bedoeling was uiteindelijk potentiële nieuwe grindwinningslocaties in kaart te brengen, omdat gebleken was dat in het verleden een aantal bestaande grindgebieden eerder op historische basis dan op basis van geologische karakteristieken werden aangesneden. Het gevolg hiervan was dat voor sommige locaties het grondgebruik proportioneel erg hoog lag omwille van lagere grindinhoud terwijl ruimtelijk bekeken het terreingebruik soms aanleiding gaf tot conflicten met andere bestemmingen zoals landbouw, woon- en natuurgebieden. Bovendien waren de herbestemmingsmogelijkheden van ontgonnen terreinen dikwijls beperkt en niet steeds goed inpasbaar in de ruimtelijke ordening, of financieel en bedrijfseconomisch soms moeilijk te verantwoorden.

Het eindverslag van de GOM-werkgroep stelde aan de minister voor om in het definitieve gewestplan Maasland twee fases te voorzien. Enerzijds werd voorgesteld om voor elke bestaande grindwinning voldoende nog ontginbare terreinen te voorzien vlak bij de bestaande winplaats om de productie tot 1987 verder te zetten en op die manier de exploiterende bedrijven de gelegenheid te bieden hun investeringen nog te valoriseren.
Op langere termijn strekte het voorstel van de GOM er toe nieuwe grindgebieden aan te duiden met een maximale grindopbrengst per ha om aldus het bodemgebruik te beperken. Deze nieuwe locaties moesten bij voorkeur gesitueerd worden in gebieden waar minder conflicten zouden ontstaan met de andere bodemgebruikers. Tenslotte was het de bedoeling dat de nieuwe locaties voldoende groot moesten zijn om meerdere producenten samen te kunnen onderbrengen, die op een gecoördineerde wijze de exploitatie zouden aanpakken waarbij ook de nabestemming op kortere termijn zou kunnen worden gerealiseerd. Om deze gezamenlijke exploitatie door verschillende producenten mogelijk te maken leek het noodzakelijk dat de nieuwe terreinen door de overheid zouden worden verworven en desnoods onteigend om ze vervolgens via concessie ter beschikking te stellen.
Wanneer einde 1980 het definitieve gewestplan Maasland werd vastgesteld werden naast plaatselijke nieuwe gebieden om de continuïteit tot 1987 te garanderen ook een aantal grote nieuwe reservegebieden aangeduid om in de toekomst gezamenlijk uit te baten. Een daarvan betrof de Mechelse Heide op het grondgebied van de gemeente Maasmechelen, bestemd voor berggrinduitbating. In 1981 heeft de GOM in overleg met een ad hoc opgericht samenwerkingsverband van alle toenmalige berggrindexploitanten de betreffende terreinen verworven van de NV André Dumont en ze nadien in concessie gegeven aan de ondertussen door de berggrindontginners opgerichte NV Limburgse Berggrind Uitbating. Aldus werd voor het eerst een nieuw groot terrein gezamenlijk ontgonnen op basis van een aantal principes die door de GOM naar voor waren gebracht.

Wanneer begin jaren 90 op initiatief van toenmalig bevoegd minister N. De Batselier de rondetafelconferentie over de toekomst van de grondwinning in het Maasland werd gehouden, zijn de voornaamste uitgangspunten die 10 jaar eerder door de GOM werden voorgesteld in grote lijnen bevestigd en opgenomen in het grinddecreet dat in 1993 werd goedgekeurd door het Vlaams parlement. In uitvoering daarvan werd het gewestplan Maasland gewijzigd en werden twee nieuwe reservegebieden aangeduid in Kinrooi en Dilsen-Stokkem, die via een samenwerkingsverband van alle producenten op basis van de hen toegekende quota en trekkingsrechten in gebruik konden worden genomen. In 1997 en 1998 werden daartoe concessieovereenkomsten afgesloten met de TV Rekin voor het gebied te Kinrooi, en de TV Meerheuvel en de TV Meerakker voor de terreinen in Dilsen-Stokkem. De dubbele concessie in Dilsen werd in 2002 uiteindelijk overgenomen door een nieuwe TV Grindmeer, die er de volledige exploitatie coördineert, zoals TV Rekin dit doet voor alle exploitanten in Kinrooi.

| naar boven |