Grinddecreet

Het Grinddecreet van 14 juli 1993 creëerde een wettelijk kader waarbinnen de grindwinning in de provincie Limburg enerzijds en de daarmee gepaarde gaande gevolgen anderzijds, globaal werden geregeld. De mogelijkheden tot grindwinning werden vrij strikt afgebakend. Het decreet ging aanvankelijk uit van een afbouwend grindwinningsscenario waarbij tegen 1 januari 2006 de grindwinning in Limburg beëindigd zou zijn.

Doorheen de jaren werd ten gevolge van wijzigende inzichten het beleid omtrent de grindwinning een aantal malen bijgesteld, hetgeen resulteerde in een aantal bijsturingen in het oorspronkelijke Grinddecreet:

Het wijzigingsdecreet van 6 juli 2001 (B.S. 11 augustus 2001) voorzag o.a. in een herschikking van de taken van het Herstructureringscomité en in de mogelijkheid om occasionele grindwinningen aan een heffing te onderwerpen. Door de herschikking van de taken van het Herstructureringscomité werd een gedeelte van de grindheffing vervangen door een waarborgsysteem (invoeging van artikel 15bis). Hierdoor wordt een efficiënter systeem mogelijk voor de herinrichting van de grindwinningsgebieden waarbij het afwerken ervan wordt overgenomen door de grindsector. Een herschikking van de reeds geïnde grindheffing was hiervoor noodzakelijk tussen het Grindfonds en het nieuw opgerichte Sectorfonds. Door de gewijzigde taak van het Herstructureringscomité was ook een herschikking van de aan te wenden middelen voor de diverse comités (omslagsleutel) aan de orde.

Door het wijzigingsdecreet van 15 juli 2005 (B.S. 16 augustus 2005) werd de einddatum voor ontgrinding (1 januari 2006) opgeheven. Hierdoor werd het mogelijk om de ontginning (grindwinning als hoofdproductie) verder te zetten tot de in het Grinddecreet vooropgestelde productiequota (59,5 miljoen ton valleigrind en 41,4 miljoen ton berggrind) effectief gerealiseerd zouden zijn. De grindwinning als nevenproductie bij de winning van het onderliggend kwartszand vormt een uitzonderingsgeval. Deze winning valt niet onder voormelde productiequota en blijft ook in een verdere toekomst mogelijk.

Het decreet van 22 december 2006 (B.S. 26 december 2006) houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 (programmadecreet 2007) maakt het mogelijk om in de vergunde grindwinningsgebieden – in het kader van zuinig ruimtegebruik en in uitvoering van het principe van optimale ontginning – bijkomend grind, boven op de vooropgestelde productiequota, te winnen. Ook deze bijkomende grindwinning is onderworpen aan een grindheffing.

Het wijzigingsdecreet van 3 april 2009 (B.S. 24 april 2009) voorziet – naast de reeds vroeger toegestane grindwinning als nevenproductie bij de winning van onderliggend kwartszand – de mogelijkheid tot verdere grindwinning in twee bijkomende uitzonderingsvallen: grindwinning bij infrastructuurwerken en projectgrindwinning.
Beide nieuwe uitzonderingsgevallen betreffen een grindwinning die optreedt bij realisatie van een project (respectievelijk: werken aan infrastructuur van openbaar nut en realisatie van een maatschappelijk project van groot openbaar belang) dat op zich zelf niet de exploitatie van grind tot doel heeft. Voor deze beide uitzonderingsgevallen, waarvoor de vroegere regels van het Grinddecreet niet gelden, worden binnen het Grinddecreet nieuwe artikels toegevoegd. Ter regeling van de projectgrindwinning wordt binnen het decreet een nieuw comité (Projectgrindwinningscomité) opgericht, onafhankelijk van het Grindfonds en de binnen dit Grindfonds opgerichte andere comités.
Door het wijzigingsdecreet van 3 april 2009 zijn er dus in totaal drie uitzonderingsgevallen waarbij grindwinning mogelijk blijft:
• grindwinning als nevenproductie bij de winning van onderliggend kwartszand (decreet van 15 juli 2005)
• grindwinning bij infrastructuurwerken (decreet van 3 april 2009)
• projectgrindwinning (decreet van 3 april 2009)
Voor het bepalen van de productiequota wordt geen rekening gehouden met alle drie deze uitzonderingsgevallen. De grindwinning als nevenproductie bij de winning van onderliggend kwartszand is onderworpen aan een grindheffing, de grindwinning bij infrastructuurwerken en de projectgrindwinning niet.

Bij besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het Projectgrindwinningscomité van 7 mei 2010 (B.S. 28 mei 2010) wordt dit nieuwe comité opgericht. Het Projectgrindwinningscomité dient de Vlaamse Regering een voorstel te bezorgen van de regels betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten inzake het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectcomité. Naast de reeds vroeger als grindgemeente aangeduide gemeenten: Kinrooi, Maaseik, Dilsen-Stokkem en Maasmechelen, worden nu ook, voor de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het decreet, Lanaken en As aangewezen als grindgemeente.

Het decreet van 23 december 2010 (B.S. 18 februari 2011) houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur voegt een artikel inzake de projectgrindwinning toe. Het Projectgrindwinningscomité heeft rechtspersoonlijkheid en dient zelf te zorgen voor de financiering van zijn werking (personeel, vergoeding mandaten, …).

Algemeen kan samengevat worden dat grindwinning, waarop krachtens het Grinddecreet een heffing verschuldigd is, onder de bepalingen van het Grindfonds valt en dus onder de bevoegdheden valt van het Grindcomité en de drie subcomités (Herstructureringscomité, Onderzoekscomité en Sociaal comité). Het Grindfonds met deze vier comités vormt een eerste peiler binnen het Grinddecreet. Het Projectgrindwinningscomité vormt binnen dit Grinddecreet een tweede peiler, die volledig onafhankelijk van het Grindfonds en de vier voormelde comités haar werkzaamheden regelt.

 




> > Uitvoeringsbesluit

> > Beleid